Ga naar hoofdinhoud
Your session has expired. Reloading...
Terug naar Blog
Bloedsuiker & metabolisme

Insulineresistentie: wat het is, hoe u het meet en wat u eraan doet

S
SlimmerLab
10 min lezen
Insulineresistentie: wat het is, hoe u het meet en wat u eraan doet
Foto: isens usa via Unsplash

Insulineresistentie betekent dat uw cellen minder goed reageren op insuline, waardoor uw alvleesklier er steeds meer van moet aanmaken om uw bloedsuiker normaal te houden. Zolang die extra insuline het werk opvangt, blijft uw glucose keurig binnen de referentiewaarden. U merkt er dan niets van.

Dat maakt deze aandoening zo lastig te vangen. De test die uw huisarts standaard doet, de nuchtere glucose, is vaak de laatste waarde die afwijkt.

Wie eerder wil weten waar hij staat, kijkt naar insuline zelf en naar de verhouding tussen twee vetwaarden die al op elk lipidenprofiel staan.

Wat is insulineresistentie precies?

Insulineresistentie is een verminderde gevoeligheid van uw spier-, lever- en vetcellen voor insuline. Insuline is de sleutel die glucose uw cellen in laat. Werkt die sleutel minder goed, dan maakt uw alvleesklier meer insuline aan om hetzelfde effect te bereiken.

Het resultaat is een normale bloedsuiker bij een abnormaal hoge insuline.

Die situatie heet hyperinsulinemie en kan jaren duren. Uw alvleesklier compenseert, en zolang dat lukt ziet uw uitslag er gezond uit. Pas als de klier het tempo niet meer volhoudt, kruipt uw nuchtere glucose omhoog. Dan bent u al ver in het proces.

Vetweefsel rond uw buik speelt hierin een eigen rol. Dat weefsel is hormonaal actief en geeft stoffen af die de insulinegevoeligheid verder verlagen. Zo houdt het patroon zichzelf in stand.

Welke klachten horen bij insulineresistentie?

Meestal geen. Insulineresistentie geeft in de beginjaren zelden duidelijke klachten, en dat is de belangrijkste reden dat hij zo laat wordt opgemerkt. Waar mensen wel iets van merken, gaat het vaak om vermoeidheid na koolhydraatrijke maaltijden, toenemende buikomvang en moeizaam gewichtsverlies.

Die klachten zijn geen bewijs. Ze passen bij tientallen andere oorzaken.

Eén lichamelijk teken is specifieker dan de rest: acanthosis nigricans, een fluweelachtige donkere verkleuring van de huid in de nek, de oksels of de liezen. Die verkleuring hangt samen met langdurig hoge insulinespiegels. Hij is niet bewijzend, maar hij is wel een reden om er met uw huisarts over te praten.

Bij vrouwen kan een onregelmatige cyclus meespelen. Bij mannen valt eerder de buikomvang op. In beide gevallen geldt dat klachten hier slechte gidsen zijn, en getallen betere.

Hoe meet u insulineresistentie?

Met een combinatie van waarden, niet met één test. Er bestaat geen enkele bloedwaarde die insulineresistentie aantoont. Wat labs en artsen doen, is meerdere waarden naast elkaar leggen en kijken of het patroon past. Nuchter geprikt, want eten verstoort bijna alles in dit rijtje.

De afkapwaarden hieronder zijn de Nederlandse, in mmol/l. Veel buitenlandse pagina's noemen mg/dl, en die getallen kunt u niet op een Nederlandse uitslag leggen.

WaardeWat het meetWanneer het opvalt
Nuchtere glucoseUw bloedsuiker na een nacht vasten6,1 tot 6,9 mmol/l heet gestoord; 7,0 of hoger past bij diabetes
Nuchtere insulineHoeveel moeite uw alvleesklier doetVerhoogd terwijl uw glucose nog normaal is
HOMA-IRGlucose en insuline in één indexLoopt op ruim voordat uw glucose beweegt
HbA1cUw gemiddelde suiker over 8 tot 12 weken48 mmol/mol of hoger past bij diabetes
Triglyceriden en HDLVetstofwisseling als indirecte maatHoge triglyceriden bij een laag HDL

De glucosegrenzen komen uit de WHO-criteria die het Nederlands Huisartsen Genootschap in de NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 aanhoudt: onder 6,1 mmol/l normaal, 6,1 tot 6,9 mmol/l een gestoorde nuchtere glucose, en 7,0 mmol/l of hoger tweemaal gemeten passend bij diabetes.

Neem twee mensen met exact dezelfde nuchtere glucose van 5,4 mmol/l. Bij de eerste is de insuline 5 mU/l, bij de tweede 18 mU/l. Op beide uitslagen staat een normale bloedsuiker, en allebei horen ze dat hun waarde in orde is.

Toch doet de alvleesklier van de tweede ruim drie keer zo veel werk voor precies hetzelfde resultaat.

Reken het door de index en het verschil wordt zichtbaar: de eerste komt uit op 1,2, de tweede op 4,3. Dat verschil staat nergens op de uitslag als insuline niet is meegeprikt. Het is dezelfde glucose, met een heel ander verhaal erachter.

Let op de volgorde waarin deze waarden bewegen. Insuline stijgt eerst, HbA1c volgt, glucose komt achteraan. Wie alleen glucose laat prikken, meet dus het einde van het verhaal.

Hoe u die index zelf uitrekent staat in HOMA-IR berekenen.

Wat zegt de triglyceriden/HDL-ratio?

Die verhouding is de goedkoopste aanwijzing die er bestaat, want beide getallen staan al op elk standaard lipidenprofiel. U deelt uw triglyceriden door uw HDL-cholesterol, allebei in mmol/l. Een uitkomst rond 1,8 of hoger hoort statistisch vaker bij verminderde insulinegevoeligheid.

Dat getal komt niet uit de lucht vallen.

Onderzoekers van Stanford vergeleken bij mensen met overgewicht gewone laboratoriumwaarden met een directe meting van insulinegevoeligheid. De triglyceriden/HDL-ratio kwam er als een van de bruikbaarste eenvoudige markers uit, met een optimaal afkappunt van 1,8 in SI-eenheden, naast een triglyceridenwaarde van 1,47 mmol/l (McLaughlin e.a., 2003).

Wat mij daaraan opvalt, is dat vrijwel geen Nederlandse pagina deze ratio noemt. Terwijl half Nederland een lipidenprofiel in een la heeft liggen waar de twee benodigde getallen gewoon op staan.

Het blijft een indirecte maat. De ratio vervangt geen nuchtere insuline, en hij zegt weinig bij mensen zonder overgewicht. Als eerste oriëntatie op materiaal dat u al heeft, is hij moeilijk te verslaan. Uw cholesterol/HDL-ratio is een andere verhouding, die naar hart- en vaatrisico kijkt.

Wat heeft het metabool syndroom ermee te maken?

Insulineresistentie is de motor onder het metabool syndroom. Dat syndroom is geen ziekte maar een cluster van vijf risicofactoren: buikomvang, triglyceriden, HDL-cholesterol, bloeddruk en nuchtere glucose. Bij drie of meer afwijkende factoren spreken artsen van het syndroom.

De internationale definitie werd in 2009 door zeven organisaties gelijkgetrokken (Alberti e.a., 2009).

Wat die vijf factoren gemeen hebben, is dat ze bijna allemaal met insulinegevoeligheid samenhangen. Daarom zien artsen ze zo vaak in groepjes verschijnen. Iemand met hoge triglyceriden, een laag HDL en een toenemende buikomvang heeft zelden alleen een vetprobleem.

De volledige criteria met de Nederlandse waarden staan in metabool syndroom.

Wat is het verschil met prediabetes?

Prediabetes is een meetbare uitkomst, insulineresistentie is het mechanisme eronder. Bij prediabetes ligt uw nuchtere glucose tussen 6,1 en 6,9 mmol/l, of uw glucosetolerantie is gestoord. Insulineresistentie kan daar jaren aan voorafgaan, met glucosewaarden die nog volledig normaal zijn.

Anders gezegd: prediabetes is het moment waarop uw alvleesklier het niet meer helemaal bijhoudt.

Dat onderscheid heeft praktische gevolgen. Iemand met een nuchtere glucose van 5,4 mmol/l krijgt te horen dat de waarde normaal is, en dat klopt ook. Diezelfde persoon kan een sterk verhoogde insuline hebben. De term gestoorde glucosetolerantie beschrijft weer iets anders, namelijk hoe uw suiker reageert op een suikerdrank tijdens een belastingstest.

Welke waarden bij dat stadium horen en wat er dan nog te winnen valt, staat in prediabetes.

Is insulineresistentie om te keren?

Vaak wel, en dat is het meest bemoedigende deel van dit onderwerp. Insulinegevoeligheid reageert op gewichtsverlies, op beweging en op de samenstelling van uw voeding. Anders dan bij veel chronische aandoeningen gaat het hier om een proces dat twee kanten op kan bewegen.

De harde cijfers komen uit twee grote studies.

In het Amerikaanse Diabetes Prevention Program kregen 3.234 deelnemers met een gestoorde glucosetolerantie een leefstijlprogramma, metformine of een placebo. Het leefstijlprogramma verlaagde het aantal nieuwe diabetesgevallen met 58 procent, metformine met 31 procent (Knowler e.a., 2002).

Het Finse Diabetes Prevention Study vond onafhankelijk hetzelfde getal: 58 procent minder diabetes in de leefstijlgroep, over gemiddeld 3,2 jaar (Tuomilehto e.a., 2001).

Twee studies, twee continenten, exact hetzelfde percentage. Dat is zeldzaam in de geneeskunde.

Beide programma's draaiden om bescheiden dingen: enkele kilo's gewichtsverlies, ongeveer een half uur beweging per dag, minder verzadigd vet en meer vezels. Het Voedingscentrum beschrijft diezelfde uitgangspunten voor de Nederlandse situatie. Spiermassa telt daarbij zwaar mee, want spieren nemen het grootste deel van uw glucose op. Wat er met die spieren gebeurt tijdens snel afvallen leest u in crashdieet.

Welke rol speelt voeding bij insulineresistentie?

Voeding werkt hier vooral via twee routes: hoeveel u binnenkrijgt en hoe snel uw bloedsuiker daarop reageert. Er bestaat geen dieet dat insulineresistentie geneest. Wel is er een patroon dat in de preventiestudies steeds terugkomt: meer vezels, minder verzadigd vet, minder snelle suikers.

Vezels zijn daarbij het meest onderschatte onderdeel.

Twee dingen reageren opvallend snel op verandering. Uw triglyceriden dalen vaak binnen enkele weken als u minder alcohol en minder suikerhoudende dranken gebruikt. Wat daar nog meer bij helpt en hoe u het volgt, staat in triglyceriden verlagen.

Het tweede is verzadiging. Uw hersenen krijgen via het hormoon leptine door hoeveel vetweefsel u heeft, en bij overgewicht lijkt dat signaal minder goed aan te komen. Waarom dat gebeurt en wat de term leptineresistentie precies wel en niet betekent, leest u in leptineresistentie.

Wat doet GLP-1-medicatie met insulineresistentie?

Die middelen grijpen indirect aan. Semaglutide en tirzepatide verbeteren de insulinegevoeligheid vooral via het gewichtsverlies dat ze veroorzaken, niet doordat ze uw cellen rechtstreeks gevoeliger maken. Minder vetweefsel betekent minder van de stoffen die de gevoeligheid drukken.

Dat heeft één praktisch gevolg dat zelden ergens staat.

Uw nuchtere insuline en uw HOMA-IR kunnen tijdens zo'n traject flink dalen, terwijl uw onderliggende aanleg niet verandert. Stopt u met het middel en komt het gewicht terug, dan bewegen die waarden vaak mee terug. Wat er verder gebeurt bij stoppen staat in stoppen met Ozempic.

Daarom is een uitgangswaarde vóór de eerste injectie zo bruikbaar. Zonder die meting weet u later niet of een goede uitslag uw eigen winst is of het effect van het middel.

Welke waarden meet u het beste samen?

De waarden die samen het patroon laten zien. Losse getallen zijn hier bijna waardeloos: een normale glucose sluit niets uit, en een verhoogde insuline betekent op zichzelf ook niet veel. Het gaat om glucose, insuline, HbA1c en het lipidenprofiel in één afname.

Nuchter geprikt, want anders klopt de helft van de vergelijking niet.

De GLP-1 nulmeting bevat die combinatie en legt uw uitgangspunt vast voordat u aan een traject begint. Wie alleen de insulinevraag wil beantwoorden, kan terecht bij de losse HOMA-IR test. Een BIG-geregistreerde arts beoordeelt in beide gevallen de uitslag.

Bespreek een afwijkende uitslag altijd met uw huisarts voordat u iets aan uw behandeling verandert. Volgens RIVM-cijfers hadden in 2024 ruim 1,2 miljoen Nederlanders een vastgestelde diabetes, en de huisarts is degene die bepaalt wat uw waarden in uw situatie betekenen.

Waar ik zelf naar zou kijken

Naar de volgorde. Insuline beweegt eerst, HbA1c daarna, glucose het laatst, en toch is glucose de waarde die de meeste mensen als enige laten prikken. Dat is de reden dat insulineresistentie zo vaak pas opvalt als er al jaren overheen zijn gegaan.

Wat mij het meest opvalt aan dit onderwerp, is hoe goedkoop het alternatief is.

De triglyceriden/HDL-ratio kost niets extra en staat waarschijnlijk al op een uitslag die u ergens heeft liggen. Reken hem uit, leg hem naast uw glucose, en bespreek de combinatie met uw huisarts. Dat is een concretere eerste stap dan welke symptomenlijst dan ook.

Bronnen

  • Matthews DR et al. Homeostasis model assessment: insulin resistance and beta-cell function from fasting plasma glucose and insulin concentrations in man. Diabetologia. 1985. PMID 3899825
  • McLaughlin T et al. Use of metabolic markers to identify overweight individuals who are insulin resistant. Ann Intern Med. 2003. PMID 14623617
  • Knowler WC et al. Reduction in the incidence of type 2 diabetes with lifestyle intervention or metformin. N Engl J Med. 2002. PMID 11832527
  • Tuomilehto J et al. Prevention of type 2 diabetes mellitus by changes in lifestyle among subjects with impaired glucose tolerance. N Engl J Med. 2001. PMID 11333990
  • Alberti KGMM et al. Harmonizing the metabolic syndrome. Circulation. 2009. PMID 19805654
  • NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2, afkapwaarden voor nuchtere glucose.
  • RIVM, cijfers over diabetes mellitus in Nederland (2024).
  • Voedingscentrum, informatie over vezels, verzadigd vet en gewichtsverlies.

Bij elke bloedtest hoort een beoordeling door een BIG-geregistreerde arts. Bespreek uw uitslag met uw huisarts voordat u iets aan uw behandeling verandert.

S

Auteur

SlimmerLab

Dr. Naimi, BIG-geregistreerde arts, ziet toe op de medische standaarden achter onze content en beoordelingen. Lees ons medisch beleid

Gerelateerde testen

Gerelateerde berichten